No More MomBlog

MomBlog sluit. Vanwege mijn aanstaande vertrek (per 1 maart 2011) bij de universiteit, waar ik nu nog 1 dag per week werk, heb ik binnenkort geen toegang meer tot deze weblogomgeving. Geen gemommer meer dus, althans niet hier. – "We’ll meet again, don’t know where, don’t know when…" – UPDATE: nu mijn universitaire e-mailadres bijna wordt afgesloten: ik ben bereikbaar op het adres laurens[at]mommers.net.

Tip: hoe vind ik de gevallen waarin ik ben vergeten uit te checken?

Als je vergeet uit te checken met de OV-chipkaart, of de uitcheck-automaat werkt niet, dan is dat al vervelend genoeg. Maar de ellende begint pas goed als je via je overzicht op ov-chipkaart.nl moet gaan uitzoeken welke transacties niet ‘voltooid’ zijn. Daarom een tip:

– Meld je aan op www.ov-chipkaart.nl

– Ga naar het transactieoverzicht en selecteer ‘Alle transacties’ en bijvoorbeeld een jaartal (in principe gaat het overzicht terug tot 2010

– Klik op ‘Transacties tonen’

– Klik op de diskette voor een export in csv-formaat

– Kies voor ‘Openen met Microsoft Excel’

– Klik op de 1 voor de eerste rij van de spreadsheet

– Selecteer Data > Filter (in oudere versies: Autofilter)

– Klik op het pijltje naast Bedrag, en klik het vinkje voor ‘Select all’ weg

– Zet vervolgens een vinkje voor ‘Blanks’

– Je ziet nu een overzicht van situaties waarin niet is uitgecheckt, en vaak ook nog aangeschafte reisproducten (die je dus kunt negeren)

Het is uiteraard niet gezegd dat deze methode in alle gevallen werkt. Eenmaal gesignaleerde ontbrekende check-outs kunnen soms restitutie opleveren. Met name NS lijkt er tamelijk soepel mee om te gaan. Er is een telefoonnummer voor, maar ik schrijf zelf gewoon een briefje naar de klantenservice.

Een nieuw jaar met de OV-chipkaart, met nieuwe klachten

Ze krijgen het maar niet onder de knie, die OV-chipkaart. De vervoerbedrijven niet, en TLS (de uitgever van de kaart) zelf ook niet. Op één dag twee rekenfouten van de OV-chipapparatuur, ter waarde van 7 euro, en ja, dat komt verrassend dicht in de buurt van een taxiritje. Dat Connexxion nog altijd de apparatuur in z’n bussen niet op orde heeft, blijkt wanneer ik niet geldig kan uitchecken, om precies te zijn: ik check opnieuw in, en onmiddellijk uit, waardoor Connexxion mij 4 euro plus het opstaptarief van 79 cent in rekening brengt.

‘s Avonds bij de RET check ik keurig in en uit, en betaal voor een ritje dat mij normaal ongeveer 1,10 euro kost plotseling 3,85 euro. Oorzaak? Ik neem aan dat verkeerde instelling van de locatie door een routewijziging van de betreffende tramlijn. Het transactieoverzicht moet duidelijkheid verschaffen.

Maar da’s allemaal nog peanuts in vergelijking met andere aspecten van de uitrol. Wie de ellende van dichtbij wil zien, moet eens op bezoek gaan op station Bijlmer of station Schiedam. Op station Bijlmer moet je als argeloze reiziger kiezen uit talloze poortjes, waarvan de meeste van de GVB zijn. Die zijn bedoeld voor als je op de metro stapt. Wil je niet de metro, maar de trein pakken, dan moet je bij een poortje van NS zijn. Die laten zich allemaal niet zo gemakkelijk vinden. Los daarvan: je moet precies weten met welke vervoerder je reist. Welke toerist weet dat?

Op station Schiedam is de opstelling van de poortjes nog steeds zodanig dat je denkt uit te checken bij NS, terwijl je in werkelijkheid alleen incheckt bij de RET. Gevolg: het restant van je 10 of 20 euro borg ben je kwijt. Is het echt zoveel gevraagd om een beetje na te denken bij de opstelling van die poortjes? Het begon natuurlijk allemaal met een enorme ontwerpfout: verschillende tariefsystemen op dezelfde kaart. 

En dan de site ov-chipkaart.nl. Enkele jaren heeft men erover gedaan om het brakke transactieoverzicht te vernieuwen. En na drie jaar wachten – is er een zo mogelijk nog slechter systeem geïntroduceerd! Om maar op één punt te wijzen: in plaats van gewoon de ritprijs te tonen in de rechterkolom, worden daar de af- en bijschrijvingen getoond. Niet 1,03 euro, maar -4,00 euro en +2,97 euro. Hoe verzin je het? De ritprijs is weggemoffeld in de linkerkolom. Het moet gezegd: op het te exporteren declaratieoverzicht staat de informatie wél juist vermeld.

Eindelijk een goeie smoes om een iPad te kopen…

…nou ja, voor juristen dan. Met gepaste trots introduceert Legal
Intelligence (ja, daar werk ik zelf) vandaag een app speciaal voor de
iPad. Met deze app is het mogelijk om snel en eenvoudig juridische
bronnen te doorzoeken. Voor de gratis versie zijn dat de belangrijkste
juridische sites, zoals rechtspraak.nl, wetten.nl en EUR-Lex, en voor
betalende abonnees zijn ook de bronnen toegankelijk waartoe zij via de
webdienst ook toegang hebben. Bovendien kunnen die gebruikers hun
dossiers en attenderingen raadplegen.

Voor meer informatie over deze nieuwe app verwijs ik graag naar de campagnesite www.lipad.nl.
Ook handig om te weten: alle op Legal Intelligence aangesloten
universiteiten en hogescholen kunnen ook alle functionaliteit van deze
app gebruiken. Met het e-mailadres waarmee je bij Legal Intelligence
geregistreerd staat, kun je de app activeren voor volledig gebruik. Een
gebruiksaanwijzing, links en de campagne-animatie gemaakt door Mielo
Pouwer zijn allemaal op www.lipad.nl te bekijken.

Apparaat van het jaar: de iPad – met top-drie apps

2010 was het jaar van de iPad, dat mogen we een krap jaar na de introductie in de VS en een half jaar na de Nederlandse introductie denk ik wel stellen. Een ‘magisch’ apparaat, volgens Steve Jobs, en nu moet je Jobs niet op z’n woord geloven, maar iets van magie schuilt er wel in. Van jong tot oud, iedereen kan het ding bedienen. Hij werkt doorgaans sneller dan de snelste desktop-computer, gewoon omdat-ie goed gemaakt is, zowel fysiek als qua interface en besturingssysteem. Mensen die nu nog beweren dat het een grote iPhone is waar je niet mee kunt bellen, tsja, die moesten misschien gewoon maar achter hun IBM PC gaan zitten. Toch, en dit zou MomBlog niet wezen als er niets te mommeren viel, vind ik het aanbod van apps een beetje tegenvallen. Ja, Nederlandse krantenuitgevers beginnen hem te ontdekken, en er zijn zowel heel leuke als heel nuttige apps te downloaden, maar toch ook wel een hele hoop bagger.

Mijn persoonlijke top-drie apps bestaat uit: (3) De Booking.com app. Niet de mooiste, wel een hele goede app. Booking.com was al de beste boekingssite voor hotels, vind ik. Ze hebben de mogelijkheden van de site vrij goed weten te vertalen naar de iPad. Is dat nuttig? Jazeker, als je midden in het land strandt door brakke treinen, dan leidt deze app je in no-time naar de dichtbijzijnde betaalbare hotelkamer. Bleek uiteindelijk niet nodig, maar toch. Op (2) de (eigen) Twitter app. Ik maak er niet zoveel gebruik van, maar de interface-vondsten in deze app zijn magistraal. Met name de ‘cascading’ kolommen die je met een simpele zijwaardse ‘swipe’ weer kunt laten verdwijnen. Afijn, lastig uitleggen, gewoon uitproberen. En op (1) iFish Pond, volstrekt nutteloos, maar erg fraai gemaakt: een virtuele visvijver. Zeer geschikt voor types die mediteren te veel gedoe vinden. De Touch-interface is er op een originele manier in gebruikt. Ik hoop op meer van dergelijke fantasievolle apps.

Dit is geen land

België, het land waar ze goed kunnen koken, waar ze goed bier kunnen brouwen, waar ze het mooiste Nederlands spreken (dat dan ook eigenlijk geen Nederlands mag heten, want Vlaams klinkt al zoveel mooier), dat land bestaat niet. Het is als met het schilderij van Magritte: "ceci n’ést pas une pipe": je kunt op een landkaart wel een regio afbakenen met grenzen en er België in zetten, maar daarmee zet je de werkelijkheid niet naar je hand. Het blijft een projectie, een fictie, eentje waar we in Nederland met zorg naar moeten kijken, gezien de recente politieke ontwikkelingen in, of liever vanuit, onze eigen zuidelijke provinciën.

Een maand geleden las ik het fascinerende boek De Kloof, over de ondergang van Fortis, dat zich net als De Prooi en ook De Vastgoedfraude laat lezen als een geschiedenis van het moderne België. Niet de kloof tussen België en Nederland wordt het concern uiteindelijk fataal, maar het onvermogen om de traditie van voorname, aristocratische prudentie en conservatisme te vertalen naar nieuwe tijden, waarin de Europese interne markt hogere eisen stelt aan de rentabiliteit van banken en verzekeraars, en het aan die ondernemingen zelf is om die rentabiliteit op verantwoorde wijze op te schroeven – of zich in de rol van overnameprooi te schikken.

Dit land dus, waar de hoofdstad de gespletenheid benadrukt door z’n krampachtige en slechts schijnbare tweetaligheid, daar kwamen mijn vrouw en ik op Kerstavond aan, in een trein die keurig op tijd reed (!) en die we juist daardoor bijna hadden gemist – de NS had wellicht uit zuivere gewoonte een vertraging van 5 minuten aangegeven. Brussel lag onder een dik pak sneeuw en de wegen onder een dikke laag ijzel. Er reed geen taxi, maar op de voetpaden was nog min of meer te lopen. Brussel in de sneeuw is mooi, zij het lastig begaanbaar, en het ziet er ook niet wezenlijk anders uit dan tien of twintig jaar geleden.

De verschillen zijn beperkt: meer commerciële ‘kerstmarkt’ met stinkende worsten en Glühwein van bedenkelijke kwaliteit (bestaat er een andere?), reclameposters voor Ageas (de rechtsopvolger van Fortis), en banken met het opschrift BNP Paribas Fortis. Hoe lang zou het duren voordat de naam Fortis helemaal uit het straatbeeld is verdwenen? De Fransen zullen er denk ik niet lang mee wachten. Ondertussen rukt ook ING op in de straten van Brussel. De kleine, beschaafde banken als Dexia zullen hoe dan ook het onderspit moeten delven – al komt het gevaar nu niet van de noorder- maar van de zuiderburen. In Nederland zijn we nog wel even zoet met onze gehavende thuismarkt.

De trotse moderne geschiedenis, vormgegeven in de neoclassicistische gevels van Brussel’s overheidsgebouwen, bladdert af. Het Museum voor de Schone Kunsten moest z’n Bruegels elders huisvesten vanwege een permanent slechte atmosfeer. De nieuwbouw werd diep in de grond gestopt, wat amper daglicht toelaat bij de kunstwerken. Ik keerde vanuit deze schatkamer-op-z’n-retour terug naar mijn hotel, en werd aangesproken door een koppel, in ‘t Frans, of ik wist waar het Grote Zavelplein lag. Ik antwoordde in mijn beste Frans ‘Je ne parle pas Français’, mij daarbij in woord en gebaar excuserend. De vrouw van het stel spuwde vervolgens het woord ‘Bedankt’ uit in haar beste Fransklinkende Vlaams, en beende kwaad weg.

Ik kende deze reactie uit anekdotes, maar had hem zelf nog nimmer meegemaakt. Hoe diep zit de woede tussen de Vlamingen en de Walen? Heel diep, kennelijk. En of het daardoor kwam, of door een slechte dag, maar toen mijn vrouw vanochtend in het Centraal Station van Brussel probeerde twee gebakjes en twee thee af te rekenen, moest zij die gebakjes, en de theezakjes, per sé op een dienblaadje zetten. Afrekenen was anders niet mogelijk. Ook deze dienster spuwde haar woorden uit: ‘Pak, pak!’ (in regulier Nederlands: wilt u alstublieft de gebakjes pakken en op uw dienblad zetten?) ten teken dat haar wet hier gold, en niet de ratio. Wij dronken onze thee en aten het gebakje.

Mijn vrouw pakte vervolgens haar spullen en ging roken. Ik liep met de nog resterende helft van mijn gebakje naar de kassa, en plette het voor de ogen van de onthutste dienster op het oppervlak van de toonbank onder de woorden: ‘Pak! Pak!’. Ik zei haar daarna dat wie mensen honds behandelt, zelf ook als een hond behandeld wordt. Zij tierde in Engels, Frans en Vlaams door elkaar, terwijl de rij wachtenden bij haar toonbank bleef doen wat wachtenden plegen te doen: niets. Maar is dit werkelijk gebeurd? Niet alles dat over België geschreven wordt, is louter constructie.

Symposium regulering door technologie, 4 februari, Academie voor Wetgeving Den Haag

Zie hier de uitnodiging voor een symposium op 4 februari over regulering door technologie, met als sprekers onder meer Mireille Hildebrandt en Ronald Leenes:

"In 1999, Lawrence Lessig caused something of a stir with the publication of his book ‘Code and
other laws of cyberspace’. The book addressed the regulation of cyberspace. More than any other
social space, cyberspace would be controlled depending upon the architecture, or "code," of that
space. This means that legislators as well as those seeking to protect cyberspace against
regulation, need to focus on the work of computer scientist and designers rather than merely
looking at written law.
Code, technology, or architecture do not only regulate behaviour in cyberspace.

Architecture has
long been used to regulate the behaviour of norm subjects, speed ramps and revolving doors
being well known examples. Yet, it appears that the implications of regulation by technology is
not fully appreciated by the legislature. Especially the shortcomings, for example the lack of
transparency and its potential democratic deficit are not fully understood.
This symposium brings together 4 legal scholars to present and discuss the nature, issues and
practical examples of techno regulation."

Geven en nemen

Onderstaand verhaal bracht ik afgelopen dinsdag in De Balie in Amsterdam bij een discussieavond over ‘digitale grondrechten’. Ik heb het verhaal afgesloten met de opmerking dat het met een flinke korrel zout moest worden genomen.

Mensenplichten

Mensenrechten zijn het verzinsel van studeerkamergeleerden met idealen en een exponent van naoorlogs optimisme. Ze kosten ons geld, want het Europese Hof voor de Rechten van de Mens slokt met z’n enorme toestroom van zaken niet alleen zelf veel geld op, maar overlaadt onze gerechten ook met kansloze herzieningen.

Juist nu het internet ons eindelijk de controlemogelijkheden biedt die we nodig hebben om criminelen, dissidenten en virtueel straattuig op te sporen en te veroordelen, komen deze zelfde studeerkamergeleerden met de gedachte dat mensenrechten ook op internet van toepassing zouden moeten zijn.

Wat een onzin.

Terwijl jong en oud het internet leegtrekken en hun virtueel gejatte speelfilms bekijken en games spelen, zouden wij op de bres moeten staan voor hun ‘rechten’. Het internet een speeltuin, en de overheid mag er geen hekken omheen zetten. Pedofielen, dieven, vandalen, allemaal moeten wij ze hun gang laten gaan omdat ze rechten zouden hebben op ‘privacy’.

En wat is dat dan? ‘The right to be let alone’? Ik kijk om me heen en iedereen eist dat recht op hoge toon op. Ik spreek iemand aan die rookt in de trein, en die begint te gillen dat ik op moet teren omdat ik toch geen agent ben. Ik zie mensen met gemak vier zitplaatsen in beslag nemen in de trein: een voor hun reet, een voor hun poten, en twee voor hun boodschappen.

Mensen markeren hun territorium door zich van niets en niemand iets aan te trekken, en ze protesteren op hoge toon als iemand anders er iets van zegt. Het probleem is: onze territoria zijn zo groot, dat ze onmogelijk allemaal in ons landje passen. Zie Nederland als een ArkeFly-vliegtuig: waar laat je je knieen, je ellebogen, je okselgeur, je slechte adem en je woorden als je elkaar zo in de weg zit?

Privacy is een construct van Westers individualisme – in een Chinese treinwagon zal niemand klagen als-ie een elleboog in z’n zij voelt: gewoon, lekker warm, zo dicht bij elkaar! Privacy is, kortom, luxe, de eersten die er in 1890 over schreven hadden vermoedelijk het comfort van de prairie in het achterhoofd: lekker veel ruimte om je heen en galopperen op je paard, want je kwam onderweg toch niemand tegen.

Hoe anders is het Nederland van nu. Je kunt hier geen stap zetten of je staat op de tenen van iemand anders. En dan noemen we privacy een mensenrecht. Dat zou eigenlijk betekenen dat privacy een soort recht op eigendom is, van de ruimte om je heen. Maar eigendom is voorbehouden aan mensen met geld. Rijkdom is dus potentiele privacy. De mogelijkheid om je af te zonderen en om je per privejet naar je prive-eiland te begeven.

Lijkt me heerlijk.

Maar ik heb het geld niet. En dan begrijp ik dat ik naar het Europese Hof kan stappen om die rijkdom op te eisen? Ik dacht het niet. Nee, voor je privacy moet je werken. En dat geldt ook voor internet. Het medium is ontploft, biedt allerlei mogelijkheden voor halve en hele criminelen. Dan moet je niet raar staan te kijken als de overheid daar iets tegen onderneemt. Wil je dat niet, blijf dan uit de keuken.

Mensenrechten? Mensenplichten, zul je bedoelen. Sinds Thomas Hobbes zijn we aan onze stand verplicht een staatsgezag te accepteren. In ruil voor het inleveren van de vrijheid die samenhangt met het recht van de sterkste – en dus alleen voor de sterkste geldt – krijgen we een beetje vrijheid terug, en vooral veel verplichtingen aan de staat en aan elkaar. Ik stel dus voor om een nieuw verdrag op te stellen: het Europees Verdrag voor de Plichten van de Mens.

Dit EVPM kan dan ook meteen op onze digitale gangen van toepassing worden verklaard. Het zou ons aan moeten sporen om geen gebruik te maken van digitale hulpmiddelen waarmee we niet eerst grondig om hebben leren gaan. Om ons in de virtuele ruimte te gedragen als we in de reële ruimte ook zouden moeten doen: terughoudend en beschaafd. En als het dan zover is, als we onze verantwoordelijkheden serieus nemen, dán kunnen we het ook nog eens over rechten hebben. Eerst geven, dan nemen.

Het Centraal Comité van NS herhaalt: Het Is Bij Ons Geen Winter

Omdat mijn vrouw en ik ons gisteren, te weten zaterdag 4 december, per openbaar vervoer van Diever (Drenthe) naar Rotterdam moesten begeven, hebben wij weer eens ouderwets kennis mogen maken met het onvermogen van NS om enerzijds treinen te laten rijden en anderzijds te communiceren over de weinige treinen die er wél reden.

De trein uit Steenwijk vertrok op tijd. Daar was ook helemaal niets mis mee, behalve dat de twee wc’s aan boord defect waren. In Zwolle moest de trein uit Groningen aankoppelen. Die had vertraging. Maar na tien minuten wachten, meldde de conducteur dat er met onze trein, behalve twee defecte wc’s, nog allerlei ander naars aan de hand was. En moesten we eruit.

Nu geloof ik conducteurs op hun woord, alleen weet ik ook dat NS niet graag treinen koppelt of ontkoppelt als er stront aan de knikker is. Dus er was vermoedelijk helemaal niets met deze trein aan de hand, behalve twee defecte wc’s, maar hij moest gewoon uit de dienstregeling gehaald worden. Om een opstand onder het volk de kop in te drukken, verzon de conducteur een smoes.

De trein uit Groningen kwam een kwartier later inderdaad voorrijden. De eerste klas van deze trein was gevuld met het soort publiek dat men normaliter pleegt aan te treffen op een chartervlucht van ArkeFly. Dat wil zeggen: mensen die eens in de vijf jaar op een gratis upgrade (of zonder geldig plaatsbewijs) de eerste klas van een trein betreden en zich dan gedragen als opgetogen – en zeer lawaaiige – pubers.

In Utrecht kwam na opnieuw een kwartier stilstand het verlossende woord: deze trein viel uit. Iedereen eruit, en wachten op de volgende trein van een half uur later. Hoewel deze keurig stond aangegeven op de NS-reisplanner, inclusief een nieuwe vertraging van 17 minuten, kwam deze trein nooit aan. Althans niet zichtbaar voor ons, sterfelijk volk. Inmiddels hadden enkele duizenden reizigers zich verzameld in de stationshal van Utrecht.

Daar wachtte hen: een modderpoel van gesmolten sneeuw, een leeg vertrokbord, en tientallen NS-ers die niet meer konden vertellen dan: let op de omroepberichten, want meer dan zij omroepen weten wij ook niet. Als er dan na een uur een stoptrein naar de West (Den Haag Centraal) wordt aangekondigd, rijdt deze binnen op het enige perron van station Utrecht dat half is afgesloten, en waar ook de meeste trappen niet beschikbaar zijn: 12a. 

Daar ontstaat zo’n griezelig gedrang van arriverende en vertrekkende passagiers dat wij het voorlopig voor gezien houden. Maar dan: er is een Intercity naar Den Haag! De halve stationshal loopt leeg richting perron 8. Daar komt inderdaad een trein binnen. De drukte is zo groot dat het de inzittenden een minuut of tien kost om de trein uit te komen. Daarna stort de menigte zich op de deuren. Wij hebben zowaar een staanplaats, en nog wel in de eerste klas.

Na een kwartier klinkt dan ook hier: wilt u deze trein verlaten, hij zal niet verder rijden. Wij verlaten het strijdtoneel en gaan in een café in de Utrechtse binnenstad zitten. Daar volgt koortsachtig onderzoek naar beschikbare hotelkamers, vrienden en collega’s die ons misschien op weg zouden kunnen helpen richting Rotterdam. Na een uur krijgen we een lift naar Woerden, waar waar wij een trein hopen te treffen die niet uit Utrecht komt, zodat we de drukte daar wellicht in zullen overleven.

In Woerden rijdt inderdaad een trein binnen, maar deze komt alsnog uit Utrecht, en verrassend genoeg is deze bijna leeg. Ons vermoeden: deze trein is nooit fatsoenlijk omgeroepen op het station van Utrecht, want een half uur eerder hebben wij de stationshal daar gezien, en was het er nog drukker dan eerder op de middag.

We blijven uiteindelijk zitten tot in Den Haag, omdat vanuit Den Haag twee opties (NS en Randstadrail) zijn om in Rotterdam te komen – en de trein die naar Rotterdam door zou moeten rijden vanuit Gouda, tsja, voor hetzelfde geldt is dat weer een spooktrein, zoals wij er die middag al meerdere hadden meegemaakt. Met een vrij minimale vertraging rijden wij vervolgens in een stoptrein vanuit Den Haag Centraal naar Rotterdam. Reistijd van huis tot huis: ACHT UUR.

‘s Avonds zien wij de berichten op Teletekst en op het Journaal: ja, er zijn vertragingen, maar de winterdienstregeling heeft goed gewerkt. Is de leiding van NS in de leer geweest bij het Noord-Koreaanse Ministerie van Propaganda, of is het juist omgekeerd?

NS webcare laat klant na klacht meelopen als conducteur

Onderstaand het verslag van Marco Schikhof naar aanleiding van een dag meelopen als conducteur. Hij kreeg het aanbod om dit te doen naar aanleiding van zijn door NS webcare opgepikte brief over een incident in de trein; lees de oorspronkelijke brief hier.


Verslag dagje meelopen met conducteur

Op donderdag 21 augustus ben ik op uitnodiging van de NS een dagje met een conductrice ‘op de trein’ geweest. In conducteurskostuum. Hier volgt een verslag. De betrokken NS-medewerkers zijn, op eigen verzoek, aangeduid met hun voornamen in plaats van hun achternamen.

Aanleiding
Aanleiding was een stukje dat ik had geschreven over een incident in de trein. Ik was in februari uit een coupé verjaagd door een man, die boos was omdat ik hem er op wees dat het in de trein niet toegestaan is je schoenen op de zitting te laten rusten. Een conductrice die ik om hulp vroeg, vond dat het niet mijn taak was om medepassagiers op hun gedrag aan te spreken, en vond dat ik de veiligheid in gevaar bracht. Ik, boos, schreef hierop een klachtbrief aan de NS, waarin ik mijn beklag deed over de opstelling van de conductrice en vroeg waarom in het algemeen conducteurs mij corrigeren als ik wangedrag van medepassagiers bij ze meldt (“Waar bemoeit u zich mee?” e.d.).

Ik ontving van de NS een niet ter zake antwoord, schreef een tweede brief, kreeg geen antwoord, schreef een derde brief, waarin ik dreigde naar de geschillencommissie OV te stappen en de publiciteit te zoeken… En toen nam de NS contact met mij op. Vermoedelijk niet vanwege het dreigement, maar omdat iemand bij de NS inmiddels ontdekt had dat mijn eerste brief op het weblog van Laurens Mommers gepubliceerd was. De NS bood mij een ‘dagje met de conducteur’ aan, om mij beter in de rol van de conducteur te kunnen verplaatsen, en ik accepteerde dit voorstel.

Verloop van de dag
Ik had op 21 augustus om 11:15 een afspraak met Erwin, teamleider van de conductrice die vond dat ik geen medereizigers moet aanspreken. Ik meldde me om iets over elven bij de balie NS Reizigers op Utrecht Centraal. Ik werd opgehaald door Erwin, een hartelijke, gedrongen man van een jaar of 50. Hij nam me mee naar een kantoortuin in de vestiging Utrecht van NS eizigers. Daar hadden we tot ca 12:00 uur een inleidend gesprek met Ingrid, conductrice, en de baas van Erwin, waarvan de naam mij ontschoten is. Om 12:00 ging Ingrid haar ritten voorbereiden en ging ik me omkleden. Ik mocht namelijk ‘in tenue’ mee!

We hebben die dag drie ritten gedaan. De eerste rit was de stoptrein naar Baarn en terug. Ingrid is een sociale en intelligente vrouw die 24 uur per week werkt en de begeleiding van conducteurs-in-opleiding als één van haar taken heeft. In Baarn heeft de machinist uitleg gegeven over het nieuwe type stoptrein waarin we deze rit maakten.

De tweede rit was met de stoptrein trein richting Zwolle. In Amersfoort zijn we eruit gegaan en op de eerste trein terug naar Utrecht gestapt. De derde rit was naar Alkmaar en weer terug. Die route loopt via Amsterdam; vanuit de trein konden we een glimp van Sail opvangen. De eerste twee ritten waren alleen met Ingrid; op de derde rit ging ook Erwin, die zelf conducteur is geweest en al zijn conducteursbevoegdheden nog heeft, mee. Om ca 18:30 waren we terug in Utrecht Centraal. Daar heeft Erwin mij en Ingrid nog even in uniform op de foto gezet, waarna ik mijn gewone kleren weer heb aangetrokken teneinde huiswaarts te keren. Bij het afscheid kreeg ik van Erwin een pluche NS-trein mee, voor mijn zoon van twee.

Evaluatie
Het was een zeer geslaagde dag. Ik heb leuke mensen leren kennen, ik heb veel geleerd, en de tijd vloog voorbij. Ingrid heeft mij uitgelegd hoe je de treindeuren opent, overzicht over het perron houdt, en de deuren weer sluit. Ik heb met haar de trein ‘schoon geveegd’ (d.w.z. in de hele trein de kaartjes controleren), ‘service gelopen’ (d.w.z. door de trein lopen en ‘beschikbaar zijn voor de mensen’, zonder kaartjes te controleren) en ‘gepassagierd’ (d.w.z. meereizen zonder conducteurswerkzaamheden te verrichten).

Het doel van het dagje was dat ik me beter zou kunnen verplaatsen in de rol van de conducteur. Dat is gelukt. Zo weet ik nu, dat een conducteur, als hij alles doet wat hij moet doen, het behoorlijk druk heeft. In het station en op het perron wordt je voortdurend aangesproken, en als je een hele trein moet controleren, mag je blij zijn als je vlak voor het einde van de rit klaar bent. Zeker als er een paar zwartrijders tussen zitten, want het uitschrijven van een boetekaartje kost veel tijd.

Echter, wat de aanleiding van dit dagje met de conducteur betreft: Het is mij nog steeds niet duidelijk waarom een conductrice mij in februari heeft gezegd dat ik geen medepassagiers moet aanspreken op het feit dat ze met hun schoenen op de bank zitten. Waarom ze mij gezegd heeft dat dat “mijn taak niet is,” en dat ik daarmee de veiligheid in de trein in gevaar breng. En waarom, in het algemeen, conducteurs mij corrigeren als ik wangedrag van medepassagiers bij ze meldt. Terwijl de NS-directie ons (treinreizigers) via de krant juist heeft aangemoedigd die dingen (medepassagiers aanspreken en, als dat niet werkt, de conducteur waarschuwen) wel te doen. De indruk, dat de opvattingen van de NS-directie niet op de werkvloer geland zijn, is bij mij niet weggenomen.

Marco Schikhof,
Lelystad